Interview met Jo Mebis (terug te vinden in magazine nr 19)

Jo Mebis, fish fear him, woman love him. Een Limburger zonder dat je dat aan zijn tongval merken kan. Jong en cool, oprecht en verstoken van steralurres. Een opmerkelijk lang palmares aan kanjerkarpers. Een einzelganger die toch aangenaam gezelschap is. Iemand die respecteert en respect afdwingt. En bovendien een karpervisser die van wanten weet. Iets waar elke Belgische topkarpervisser die hem kent, en op dezelfde wateren als Jo aan de slag is geweest het over eens is. Hij is een geboren visser, het zit hem in ‘t bloed en de genen. Hij heeft talent voor de zaak. En dat laatste is datgene wat een topvisser scheidt van de grote meute. Dat laatste is ook de doorslag gevende factor van zijn succes.
Toen Kevin Nash mij enkele jaren terug vroeg naar een nieuwe Belgische fieldtester die paste binnen het kader moest ik daar geen seconde over nadenken. Jo Mebis was de man die in alle opzichten voldeed aan de vereisten. Binnen de kortste keren werd hij dan ook in het Nashkamp opgenomen.

Jo is samen met Marc Pansar medeoprichter van het LVK, de Limburgse afdeling van het VBK. Jo zetelt tevens in het VBK bestuur. En wat meer is, Jo geeft in december op onze jaarlijkse meeting een diareeks. Reden te meer om een interview met de man op poten te zetten.

  1. 1. Hoe lang vis je al op karper? Hoe is het allemaal begonnen? Heb je eerst geflirt met andere vissoorten voor je bij Ciprinus Carpio belandde?
    Ik vis op karper sinds mij dertiende of veertiende, dus dat moet zo’n elf jaar zijn ondertussen.
    Tot mijn veertiende viste ik eigenlijk voornamelijk op witvis met de vaste stok op de plaatselijke vijvers. Mijn fascinatie voor karper ontstond tijdens de jaarlijkse sportdag op school waar je kon kiezen om te vissen. Dat was onder leiding van Patrick Daniëls, in de vliegviskringen bekend als een topvliegvisser die onder andere bekend is van zijn vliegbindpatronen die maandelijks verschijnen in Beet-magazine. Die bewuste sportdag visten we op een kleine vijver met veel witvis en veel kleine karpers. Ik had die dag een vaste hengel en een forelhengeltje bij. De vaste stok gaf ik aan het enige meisje uit de klas die mee kwam vissen, maar geen hengel mee had (vreemd toch) zodat ik met de telescoop forelhengel aan de slag ging. Zo ving ik die middag onverwacht mijn eerste karpers.
    Twee dagen later nam ik al een vergunning voor het water en vanaf dat moment was ik bijna dagelijks aan het water op zoek naar karper.
    Eerst met maden en schuifloodsysteem, later aardappelen met een vrije aanbieding (ik had net het boek Karper gelezen), met drijvende korsten aan de oppervlakte, met voederveer en maïs en tenslotte ook met boilies. Het aardappelvissen met een vrije aanbieding in combinatie met de alu-waker vond ik het meest spannende en is me ook het meest bijgebleven van die periode.
    Ik leerde enkele andere kleine leuke watertjes kennen met veel overhangende bomen en lelievelden. Ik kreeg voor mijn verjaardag het boek ‘Op jacht naar grote karper’ en vanaf dat moment zat mijn hoofd op elk uur van de dag gevuld met karpers. Mijn ouders vroegen me vaak of ik ook nog aan iets anders dacht dan vissen.
  2. 2. Jo, je bevist vaak de vermaarde Limburgse  kanalen zoals het Albert en het Kempisch.  Heb je een voorliefde voor dit type water of  bevis je ze louter omdat ze in je buurt liggen  en grote vissen bevatten?
    Het Albertkanaal ligt in mijn directe buurt, het  is mijn thuiswater. Hier kwam ik terecht in  ’90. Op de dagelijkse fietstocht naar school  langs het jaagpad, leerde ik Jos Vanuytven  kennen. De karpers die ik hem zag vangen  waren monsters in vergelijking tot de  vijvervissen die ik tot dan toe ving. Jos heeft me op weg geholpen op het Albert (waarvoor oprechte dank). Na een jaar leergeld ving ik mijn eerste kanaalkarpers. Het Albertkanaal, of beter een bepaald stuk van het Albert (de kolenhaven van Zolder) heeft mij lange tijd geboeid omwille van het groots en toch wel mysterieus karakter: een breed kanaal met veel beroepsscheepvaart, stroming, en onbekende grote karpers en karpermythen.
    De laatste jaren vis ik enkel nog op het Albert omwille van zijn grote vissen. Voor de sfeer vis ik er lang niet meer. Hiertegenover staat voor mij het Kempisch Kanaal.
    Op dit water heb ik echter nooit gevist enkel omdat er grote vissen zwommen. Het is de totale sfeer aan het water; de oude oeverpalen, ingezakte kanten, overhangende bomen (de stukken 1-2 en 2-3 enkele jaren terug), de natuurlijke omgeving die me sterk aantrokken. Hier ging ik op de eerste plaats vissen om van de rust en omgeving te genieten. Op momenten dat ik op het Albert er even door zat, ging ik soms naar het Kempisch. Vooral tijdens het vroege voorjaar kwam ik hier graag, als het ‘s nachts ijskoud was en de volle maan door de bomen scheen, magische momenten waren dit soms voor mij.
  3. 3. Wat is volgens jezelf de sleutel tot je succes?
    Op de eerste plaats is het volgens mij belangrijk om te weten waar je mee bezig bent. Als je enkel wil gaan voor de top van het water is het naar mijn mening van primordiaal belang er achter te komen op welk moment je op welk water en eventueel welke stek(ken) je moet zijn, welk aas je gaat gebruiken en welke aanpak.
    Het is al zeer vaak beschreven geweest, nl. dat de planning die vooraf gaan aan de eigenlijke sessies van doorslaggevend belang zijn. Ook doorzettingsvermogen behoren best tot je eigenschappen denk ik. Zo heb ik op het Albert verschillende periodes gekend waarbij er heel weinig resultaat kwam, zo bijvoorbeeld de maand september in ’99. Ik viste die maand wekelijks drie stekken af, soms zelfs twee keer in één week (3 à 6 nachten vissen per week) voor slechts een vijftal vissen, waarvan de zwaarste hooguit 14 kg woog.
    Het eerste weekend van oktober maakte ik een sessie van drie vissen: 12 kg, 17 kg, en een PB schub van 25 kg. Op zulke momenten worden je inspanningen dan beloond. Vele mensen mispakken zich aan het Albertkanaal. Het is volgens mij (en die gedachte heb ik reeds bij meerdere mensen gehoord) één van de moeilijkere big-fish wateren van ons land. Persoonlijk verkies ik wel een hoge moeilijkheidsgraad. Hierdoor wordt de uitdaging en gelijktijdig mijn motivering een stuk groter. Die motivering is ook voor mij een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste factor.
    Ik heb perioden van weken, soms maanden dat de zin om te vissen totaal verdwenen is, meestal na de vangst van een grote vis of een reeks vissen.
  4. 4. Je viste in het verleden vnl. op het thuisfront, maar sinds vorig jaar heb je je grenzen ook verlegd naar Frankrijk. Vanwaar die plotse koerswijziging?
    De eerste keer dat ik in Frankrijk viste was in ’95, op lac de Madine. De reden dat ik pas in ’99 terugkeerde naar Frankrijk was dat op onze thuiswateren, o.a. het Albert voldoende grote vissen tot zelfs 50 pond rondzwommen. Ik had zoiets van waarom naar Frankrijk als er aan je voordeur verschillende veertigers rondzwemmen die je nog niet kon vangen. Op dit moment zijn er nog steeds grote vissen die ik niet gevangen heb op het thuiswater, maar de uitdaging is er niet meer. Ik heb er ook geen zin in om steeds dezelfde dingen opnieuw te blijven doen. Ik kon opnieuw een jaar stevig doorvissen op het kanaal en de resultaten zouden er misschien wel geweest zijn, misschien zelfs beter dan voordien, maar een voortdurende herhaling van hetzelfde gaat snel vervelen. (dat is zeker bij alles in het leven…)
    Andere reden zijn ook de zin naar avontuur en de schoonheid van het land Frankrijk
  5. 5. Je hebt in Frankrijk wat geflirt met Lac de  Madine en de Moezel waar trouwens nog  enkele andere grote Nash mannen aan de slag  zijn of tot voor kort waren. Vanwaar de  belangstelling?
     Madine en de Moezel liggen beiden op een  haalbare en betaalbare afstand om voor een  weekend te bevissen. Ik ben ook al een drietal  keren tijdens een weekend naar deze waters  gereden enkel om stekken te zoeken en peilwerk te verrichten. Dit ligt al wat moeilijker op waters die veel verder liggen. Ook het feit dat deze waters 50 plussers bevatten is een hoofdreden van mijn belangstelling. Ik geef graag toe dat ik op zoek wil gaan naar ‘een vis van het formaat dat je maar één keer vangt in je leven’. Madine is me enorm tegengevallen wat betreft de drukte van karpervissers en het kleine nachtstuk in verhouding hiermee. Vissend volgens de regels is het hier volgens mij enorm moeilijk om de grotere vissen te vangen.
    Dit jaar ben ik op een Frans water beland met enkele kleinere waters in de buurt. De sfeer is me enorm bevallen en ik denk eraan om me een volgend seizoen hoofdzakelijk in Frankrijk op te houden, in diezelfde buurt, alsook op Cassien.
  6. 6. Speelt je Nash-sponsoring een doorslaggevende rol in je visserij?
    De sponsoring speelt een rol maar is zeker niet doorslaggevend. Het grootste voordeel is de beschikbaarheid over een grote hoeveelheid boilies, zodat er niet meer moet gerold worden, en waardoor er meer vistijd vrijkomt. Ook de kwaliteit van de boilies ligt zeer hoog, waardoor we quasi op elk water met vertrouwen kunnen uitpakken.
    Als ik terug met eigen samenstellingen zou moeten vissen zou ik hier echter niet om treuren. Succes hangt volgens mij nauwer samen met de aanpak dan met de boilies waarmee je vist. Je moet alles relativeren, al denken vele karpervissers uit mijn buurt hier anders over. Zo heb ik al verschillende keren moeten aanhoren van “met zoveel boilies is het niet meer moeilijk, zo kan ik het ook”. Dit vind ik absoluut belachelijk. Tot op dit moment (eind september) heb ik dit jaar slechts 80 kg boilies opgevist en gevoerd, en had ik mijn beste seizoen tot op heden. (vijf veertigers en een tiental dertigers). Hoeveelheid aas is dus erg relatief.
    Alijn: Tja, dat is de bekende altijd opduikende jaloezie van lui die hun eigen niet-kunnen afreageren op mensen die wat meer vangen dan zij.
  7. 7. Vis je uitsluitend met dat Nash aas of maak je ook nog gebruik van andere aassoorten zoals bijv. partikels?
    Ik gebruik hoofdzakelijk boilies, al heb ik het laatste jaar op het Albert ook bewust meer gevist met maïs en tijgernoten. Ik ben ervan overtuigd dat partikels op bepaalde wateren en of op bepaalde momenten beter vangen dan boilies. Zo heb ik bijvoorbeeld één enkele keer gevist op de Blaarmeersen in Gent enkele jaren terug. Jij vertelde me nog dat het niet ongewoon was om vijf vissen te vangen in een nacht, dat dit hier vrij normaal was. Om 3u00 ‘s nachts kon ik mijn gedachten niet afhouden van deze woorden daar ik nog geen enkel teken van karper gezien had. Ik besloot om de hengels te verplaatsen en één ervan te beazen met tijgers. De hengel beaasd met een boilie werd die nacht nog een keer verplaatst zonder resultaat, de hengel met een tijgernoot leverde vier vissen op. Ik durf geen beweringen te doen uit slechts één ervaring op een water maar ook op andere wateren had ik soms gelijkaardige ervaringen.
  8. Wat is je voorkeursaas?
    Boilies en tijgernoten zijn mijn twee favoriete aassoorten. Mijn eerste voorkeur gaat naar een redelijk formaat boilie bijv. 20mm. Indien ik mijn boilies ooit terug zelf zou moeten maken dan zou ik misschien wel meer gebruik maken van tijgernoten. Evenals met boilies heb je met deze noten weinig last van witvis. Een voordeel tegenover boilies vind ik de langere periode van intactheid. Tijgernoten kunnen meerdere dagen blijven liggen op de bodem zonder verzuring in tegenstelling tot boilies, alhoewel de langere intactheid in gevallen ook een nadeel zou kunnen zijn. Met de combinatie van tijgers en maïs (en vissend met één tijger) had ik dit jaar goede ervaringen op het Albert.
  9. 9. En rigsgewijs?
    Ik probeer altijd zoveel mogelijk te herleiden  tot een eenvoud wat betreft rigs. Ingewikkelde  stifrigs en andere toestanden zijn niet zo aan   mij besteed, misschien omdat ik hier te veel    slechte ervaringen mee had.
     In meest van de gevallen gebruik ik een  standaardrig, bijv. een 20 cm stugge dyneema  onderlijn in combinatie met een haakje maat 6  en line-aligner of no knot knoop.  Verschillende jaren heb ik gevist met de Fox type 1 nr.6. Ik vond dit een schitterende haak totdat ik aan de Moezel twee keer de bocht van deze haken opentrok op kopvoorns! Dit jaar heb ik bijna uitsluitend gevist met de Nash P2 nr.6, die qua model bijna vergelijkbaar is: een halflange steel, een licht naar binnen gebogen punt en een naar binnenstaand oog. Deze haak is relatief dundradig en licht en zet zich enorm goed vast in de karperbek. Voor zover ik me kan herinneren heb ik met deze haak slechts één vis verspeeld van een dertigtal aanbeten dit seizoen. Ook de LDB-haak gebruik ik graag. Alleen jammer dat de haakpunt zo snel bot raakt.
  10. Dit jaar was je uiterst succesvol op een van de afgesloten mega harde want uiterst dunbezette Maaskuilen. Je ving beide grote vissen in dezelfde week. Vertel ons wat meer over deze spectaculaire vangst.
    Het water, een grintkuil van bij schatting 3 ha bevat slechts 8 à 10 karpers waaronder 2 goudkarpers, een zestal langgerekte maasschubkarpers tot 13 kg, één spiegelkarper van rond de 20 kg, en de topvis, een schubkarper, de Eburoon, van ongeveer 23 kg (bij een lengte van slechts 90cm!).
    Er dienen enorm veel uren te worden gemaakt per aanbeet die je krijgt. Zelf had ik op een 250 uren vorig jaar slechts 4 aanbeten. Enkele vissers hadden slechts 1 aanbeet of zelfs geen enkele met hetzelfde aantal uren.
    Het water kent daarbij nog enkele grote moeilijkheden, nl. een groot brasembestand (van die bijna zwarte brasems van over de 40 cm) die vaak voor de enige actie zorgen van je sessie, en het zeer onregelmatige bodemreliëf. Bij lage waterstand kent het water een 5 à 6 eilandjes (overgebleven grinthopen) verspreid over het volledige water, bij hoge waterstand staan deze 1,5 tot 2 meter onder water. Tussen deze eilandjes is de bodem alles behalve regelmatig. Dit was één van de grote problemen bij het vissen: nl. waar komen de karpers, waar moeten de hengels geplaatst worden. Een hiermee samenhangend en misschien nog groter probleem, de verspeelkans tijdens de dril. Als je vist op de talud van of naast een grinthoop is de kans groot dat de lijn komt vast te zitten achter één van de vele grote stenen in de buurt.
    Obstakels zoals vrachtwagenbanden, wasmachines, tv’s, stalen kabels, en zelfs een auto kort in de kant, maken het nog wat moeilijker. Door een boot te gebruiken en een systeem van lange tubes (2m) met drijvers (snoekdobbers met drijfvermogen van 120gr) verspeelde ik geen enkele vis. Dit voorjaar had ik het geluk om op het juiste moment aan het water te kunnen zijn. Tijdens de derde week van april steeg de watertemperatuur van 11 naar 14° C. Ik had net een week vakantie waarbij ik viste in de ondiepe arm waarin het water uitliep. Als eerste vis had ik de spiegel voor een eerste keer over de 20, nl. 20,3 kg. Later die week ving ik nog twee schubs van 11 en 13 kg+, en verspeelde nog een vis door een paaltje aan de overkant. Enkele dagen later mocht ik de hoofdprijs, 23,4 kg goud in mijn handen nemen. Dit was ongetwijfeld het meest emotionele moment in mijn visserij.
    Na deze vangst heb ik 3 maanden niet meer gevist.
  11. Je runt eveneens een eigen syndicaatwater ‘Klein Spanje’ geheten. Vanwaar die vreemde naam?
    Het water ligt in Opgrimbie (Maasmechelen), midden in een woonbuurt met veel Spanjaarden en migranten, vandaar de naam Klein-Spanje. Het water is afgesloten met een omheining, waarbinnen een dichte begroeiing van bomen en struiken. Zo’n stuk mooie natuur midden in een woonwijk heeft wel iets apart, een beetje mystiek.
  12. Hoe zit het met de bezetting op het water?
    Het water is 2 ha, heeft een ondiepe arm die in verbinding staat, en telt bij schatting een 25 à 30 karpers. Het overgrote deel zijn mooi beschubde spiegels, waarbij er 3 of 4 reeds boven de 30 pond zijn gevangen. Op het einde van dit jaar zal er een bestand opgesteld worden van het water, zodat we op termijn het bestand eventueel kunnen bijsturen. Er doen ook de geruchten dat Mark en ik de vissen die we vangen op het Albert zouden overzetten op dit water. Dit is natuurlijk de grootste onzin. Voor de geinteresseerden: tijdens onze jaarvergadering en mini-meeting (regio-Limburg) zal een diareeks over het water getoond worden alsook een overzicht van het bestand.
  13. Wie waren je inspiraties door de tijd heen?
    In het begin Rini Groothuis, en Kevin Maddocks (zijn gedrevenheid in de hoofdstukken over wintervissen), later Chris Yates, Evert Aalten en Luc de Baets.
  14. Wat is voor jezelf je meest memorabele vangst?
    Mijn meest memorabele vangst was ongetwijfeld mijn eerst  veertigponder, de Franse vis. Niet zozeer omdat dit een  veertigponder was, maar meer door de omstandigheden  waarin ik de vis ving.
     Het betreft een privaat water waar ik tijdens de zomermaanden regelmatig ging zwemmen omwille van de prachtige natuurlijke omgeving en het blauwe heldere water. Het water werd in het verleden zeer weinig bevist. Met het gegeven dat er grote vissen zwommen kon ik het ook niet laten om er stiekem ’s ochtends enkele uren te vissen. Ik legde voerplekken aan van maïs kort in de kant zodat ik de karpers kon zien azen. Ik viste slechts met een enkele hengel, free-lining en met een alu-waker.
    Tijdens de vierde sessie ving ik de Franse nadat ik haar een kwartier lang zag op en af zwemmen over de voerplek slechts twee meter uit de kant, waarbij ze het aas onderzocht en de alu-waker drie maal tot halverwege startoog trok. Een week later ving ik de Real Thing.
    Op dit water had ik ongetwijfeld de spannendste ervaringen.
  15. Wat is je favoriete water?
    Waters zijn mij tijdelijk favoriet. Het hierbovengenoemde privé-water is lang mijn favoriete water geweest, omwille van de omgeving, de vissen en de mogelijkheden die het water bood: oppervlaktevisserij, free-lining, zwemmen. Vorig jaar was dat de Schaapskuil (Eburonenwater).
  16. Voor je een Nashman werd maakte je   gebruik van je eigen aas en scoorde ook daar   meer dan gemiddeld goed mee? Wat voor   boilies of partikels waren dat?
    Mede onder invloed van de theorieën van   Evert Aalten heb ik veel aandacht besteed aan   de evenwichtigheid van mijn   boiliesamenstellingen. Als je verschillende   visvoeders zoals vijvervoer voor   karperachtigen, karperkorrels, etc. bekijkt qua   samenstelling zie je dat ze hoofdzakelijk   bestaan uit granen, soya en vis- en dierprodukten. Mijn eigen boilie- en deegsamenstellingen bevatten meestal een basis van maïsmeel, tarwemeel, soyabloem en vismeel in ongeveer dezelfde verhoudingen. Wat toevoegingen betreft heb ik me hoofdzakelijk gebaseerd op het ‘Loeb-rapport’. Enkele van mijn favoriete toevoegingen waren Trasie (zuiver garnaalextract dat gebruikt wordt in de Chinese keuken), vloeibare bouillon, synthetische maple-flavour, Robin Red, MSG (monosodium glutamaat) en zout.
  17. Jo, je zal op 9 december een diareeks geven op de VBK-Meeting. Wat kunnen we zoal verwachten?
    Wel, ik geef deze diavoorstelling samen met m’n vismaat Marc Pansar en we zullen het vnl. hebben over onze visserij op het Albertkanaal gedurende de jaren ‘98/’99. De aanpak die we hanteerden alsook een globaal beeld van wat het karpervissen op het Albertkanaal is. Aan de hand van twee seizoenen beeldmateriaal zullen we proberen een realistische kijk te geven op de vangstmogelijkheden en het aanwezige bestand.

    Hartelijk dank voor dit fijne gesprek!

    Fototeksten: Jo interv 02: ‘The Lady’, een kanaalveertiger, 20,1 kg Jo interv 03: Jo met een flinke dertiger uit het Albertkanaal Jo interv 04: Jo op toer in Frankrijk Jo interv 01: ‘The Real Thing’, 20,1 kg Marter 1 & 2: Schitterende opname van een marter. (foto’s: Franklin Broeckx) Stek: Jo z’n favoriete water gedurende eind jaren ’90 Schub 3: Jean Marc Pansar (Jo’s vismaat) hier te zien met een Albertschub (17,6 kg) Mebis 1: Jo met een Albertbak, 23,4 kg Mebis 2: Jo met de 20,3 kg wegende spiegel uit de Eburonenkuil.