Gfeluister tussen het riet-Interview met Theo Pustjens

Intro

Een zonnige nazomerochtend aan een grindplas in het Limburgse. Het is inmiddels volop najaar maar de weersomstandigheden zijn momen­teel niet echt productief. Naast me zit Theo Pustjens, karpervisser in hart en nieren. Op m’n schoot zoemt de laptop, ik open een document met daarop een aantal vragen die ik eerder deze week heb voorbereid. De mogelijkheid om tussendoor uit te weiden laten we wijselijk open. Theo weet het zelf waarschijnlijk niet meer, maar op mijn allereerste bezoek aan de VBK-meeting, in 2001, ontmoetten we elkaar voor het eerst. Aan een aquarium met enkele rigs om precies te zijn. Nu, jaren later, kunnen we het goed met elkaar vinden en is er een wederzijds res­pect gegroeid. In het derde deel van de reeks ‘Gefluister tussen het riet’ volgt dan ook een goed gesprek met Theo Pustjens.

Wie is Theo Pustjens?

Ik zag in 1958 het levenslicht, ik loop met andere woorden al een tijdje mee. Mijn jeugdjaren speelden zich af in Neerharen, en later ben ik naar Maasmechelen verhuisd. Ik mag zeker stellen dat ik op de juiste plaats ben opgegroeid, want aan water is er hier geen gebrek. Zowel kanalen, grindplassen en de Maas liggen op een steenworp van m’n thuis.

Verder ben ik reeds vele jaren gelukkig getrouwd en ben ik ook vader van 4 kinderen, die ondertussen al op eigen benen staan.

Wanneer raakte je verslingerd aan het karpervissen, en hoe evolueerde dat gedurende die eerste jaren?

Na jaren een allround visser geweest te zijn, richtte ik mijn pijlen vanaf 1976 gericht op de karpers. Eigenlijk kwam die plotse fascinatie vooral na het lezen van Het Kleine Karperboek, van de hand van Rini Groot­huis (het eerste boekje van de hand van Rini Groothuis). In die tijd was dat, naast de schrijfsels van Jan B. De Winter en enkele anderen, de enige karperliteratuur op de Nederlandstalige markt. Het boek van Rini stond (en staat) boordevol nuttige tips, waar ik gretig gebruik van maakte!

Tot medio 1976 viste ik uitsluitend overdag met aardappels als haak­aas, met aluminium wakertjes en de molenbeugels open. In Smeermaas leerde ik vervolgens aan een grindplas twee Nederlanders kennen. In die tijd stonden de Nederlanders verder op het gebied van karpervis­sen. Ze visten ’s nachts, met grote deegballen I.p.v. aardappels. Dit had ik wel in Groothuis’ boekje gezien, maar ik wist niet goed hoe ermee om te gaan, die deegballen groter dan een kippenei! Hun vangsten waren in mijn ogen gewoon enorm, ze vingen meer vis op één nacht dan ik toen op een jaar ving! Vanaf dat moment was ik volledig verkocht.

Bij mijn weten was ik in die tijd de enige hengelaar binnen Limburg die enkel en alleen gericht op karper viste, tot jaren later bleek dat er nog enkele andere karpervissers waren. In die tijd leek het alsof ik al het water voor mij alleen had…

In 1980 leerde ik Jos Moors kennen. Zijn uitrusting bestond toen al uit enkele typische karpervissersspullen. Een goed schepnet, degelijke molens enz. Met Jos klikte het erg goed, en het was het begin van een jarenlange samenwerking. Samen vissen en samen voercampagnes op poten zetten was het logische gevolg.

Theo, je draait ondertussen al enkele decennia mee in de kar­perwereld. Wanneer we terugkijken naar de laatste 30 jaar karpervisserij, hoe zou je dan die verschillende periodes kun­nen omschrijven? (jaren ‘80, jaren ‘90, jaren 2000)

De jaren ‘80 zijn eigenlijk niet als één geheel te beschouwen. Deze peri­ode splits ik op in twee delen. Voor 1980 en begin jaren ‘80 was het een visserij van vallen en opstaan, een visserij van zoeken en proberen. Het was een mooie tijd. Langs je stokken zitten in een campingstoeltje tot 1 uur ’s nachts, met een jute zak over de knieën ter bescherming tegen het vocht. Later werd dat campingstoeltje vervangen door een moderne ‘Packaseat’, enkel en alleen om er bij te horen. In die tijd begon dat typi­sche haantjesgedrag al! (lacht)

We gebruikten foliepapiertjes om de beten te kunnen detecteren, tot de eerste Optonics op de markt kwamen. Karpers van 7 à 8 kilogram waren in die tijd grote vissen, zeker voor 1980. Later kwam de eerste twintig­ponder boven water, waarna in 1983 Jos het toenmalig Beneluxrecord ving. De karper woog 22,9 kg en het nieuws sloeg in als een bom.

In de periode ‘83 – ‘84 kwamen de eerste boilies van Richworth het land in, met een bijbehorende videoband vol met tips en uitleg. Het was het begin van een nieuw tijdperk!

In de jaren ’90 begon de karpervisserij pas echt door te breken als spe­ciaaldiscipline. De competitie tussen de verschillende boiliemerken barstte los, en de commercie nam steeds grotere vormen aan. Er doken almaar meer karpervissers op aan de waterkant. Toen dachten we dat het aantal wel ooit zou stagneren, maar we hadden nooit durven den-ken dat het legioen karpervissers zou blijven groeien.

Naast de groei van het aantal vissers, begonnen ook de karpers aan een groeispurt. Niet alleen door toedoen van boilies, maar ook door het groeiende aanbod van natuurlijk voedsel. De massa aalscholvers en de opkomst van de snoekbaars zorgden voor een daling in de witvispopu­laties, waardoor er logischerwijs meer voedsel overbleef voor de karpers. In 1993 werd vervolgens mijn eerste veertiger een feit. Die plotse groei van de karpers is na een korte explosie heel langzaam verder gezet, tot de laatste jaren alles weer in een stroomversnelling zit. Nu zit er op elk openbaar water minstens 1 grote karper, terwijl je vroeger al naar het Kempisch Kanaal moest gaan om kans te maken op een reus.

Ik kwam gaandeweg meer in contact met andere karpervissers, zowel van het continent als de andere kant van het Kanaal. In het midden van de jaren ’90 werd ik gecontacteerd door de Engelse firma Gardner met de vraag om voor hen materiaal te testen.

Een betreurenswaardige tendens die vanaf midden jaren ’90 de kop opstak, was de toename van de afgunst. Het was dus niet allemaal rozengeur en maneschijn in die periode. Met die afgunst is het sinds­dien nooit meer goed gekomen, want het is nu nog steeds een bekend fenomeen in de karperscene. Erg jammer…

Veel mensen, en zeker de jeugd, begrijpen niet goed wat we er vroeger voor moesten doen om überhaupt te kunnen vissen. In mijn geval, met vrouw en 4 kinderen ten laste, kon er op financieel gebied in die tijd niets af voor het vissen. Ik ben dus echt jaren gaan bijwerken om mijn hobby te kunnen financieren. Ik kan hier misschien even een voorbeeld aanhalen van hoe fanatiek ik bezig was. Een korte vaste nachtdienst op Ford Genk, daarna slapen tot 13u. en vervolgens weer werken tot soms 21u. Dan nog de moed opbrengen om te gaan voeren, dikwijls al in het donker! Snel naar huis, wassen, eten en terug vertrekken naar Ford!! Ik ken mensen die nu ook nog zo gedreven bezig zijn en daar kan ik enkel maar respect voor hebben!

Het nieuwe millennium begon voor mezelf met enkele zeer positieve noten. Op de Surfkuil – een water dat ik in beheer heb – vonden de opnamen plaats van de Gardnerfilms Carpwise 3 en 4. Deze gebeurte­nis opende vele deuren. Ik leerde Frank Warwick kennen, die me op zijn beurt in contact bracht met Bob Davis. Bob is momenteel één van mijn betere vrienden, en wanneer we samen aan het water vertoeven geniet ik uren van zijn encyclopedisch geheugen wat betreft de geschiedenis van het karpervissen. Bob heeft overigens het Engelse Savay Lake nog gerund, dus ook over visstandbeheer praat hij een aardig mondje mee! Vervolgens stelde Bob me voor aan Steve Briggs, en zo bleef de bal rol­len. Ook Alijn en de vaste (harde) kern van de Regio Limburg zijn goede vrienden geworden. Al bij al heb ik door de karpervisserij veel mensen leren kennen, en ben ik enkele goede vrienden rijker geworden.

Door dat groeiende sociale netwerk binnen mijn passie mag ik mezelf ook gelukkig prijzen dat ik een aantal mooie aanbiedingen heb gekre­gen. Eerst bracht Frank me in contact met Century, een topmerk qua hengels, waardoor zowel Johny Blisak en ikzelf onze hengels van hen ter beschikking kregen. Uiteindelijk werd ik in november 2008 gevraagd om consultent te worden voor JRC. JRC hoort bij de groep Pure-fishing en is toch een behoorlijk grote firma! Ik ben dus blij erbij te mogen horen en mag zeggen dat ze echt een mooie groep vissers bij mekaar gezocht hebben!

Ten slotte ben ik sinds november vorig jaar ook mede-eigenaar gewor­den van Maasland Bait, samen met Rik, Henk en Luc Pluckers. Samen zet­ten we onder deze naam de Boiliefrost range verder, en op de koop toe beginnen we ook met een volledig nieuw winkelgamma: Tiger Baits. De laatste 9 jaren is dus ook voor mij het karpervissen wat gemakke­lijker geworden, althans alles rondom het karpervissen. Ook jeugdige vissers kunnen momenteel veel makkelijker instappen. Dat is enerzijds positief, maar het houdt anderzijds ook gevaren in. Het karpervissen is tot een echte kanjerjacht uitgegroeid, waardoor velen denken dat ze er niet zullen bijhoren als ze nog geen veertiger op hun palmares hebben staan. Te snel willen evolueren houdt het risico in om karper te bescha­digen, aangezien je het omgaan met grote vissen niet in 1-2-3 onder de knie zal hebben. Ik gun heus iedereen de vangst van grote karpers, maar eigenlijk is het best dat elkeen eerst een goede leerschool doorloopt.

Is er één van die periodes die je voorkeur draagt? Waarom? Dat is een moeilijke keuze, aangezien elk decennium wel zijn specifieke charmes heeft. Als ik er toch één moet uitpikken, gaat mijn voorkeur uit naar de jaren ’80. De nostalgie, het echte avontuur, de spanning, niet weten wat er rondzwemt… Ook was het respect onderling veel groter. We vingen weliswaar niet de grote vissen die nu onze waters bevol­ken, maar het was allemaal mooier in het algemeen. Anderzijds is het nu veel relaxter vissen, en is alles wat een karpervisser nodig heeft voorhanden op de markt.

Wat zijn voor jou de belangrijkste aspecten binnen je visse­rij? Waar hecht je m.a.w. veel belang aan?

Eerst en vooral staat goed aas voorop! Met goed aas bedoel ik dat het qua samenstelling alles bevat wat een karper nodig heeft om gezond te blijven en te groeien. Zowel mineralen, vitaminen, in water oplosbare producten en andere attractoren horen daar bij. Goed aas is gezond, attractief en makkelijk verteerbaar. Die visie passen we tevens toe voor Boiliefrost en Tigerbaits. Sorry…toch nog eventjes wat sluikreclame! (lacht)

Verder hecht ik ook veel belang aan rigs. De juiste rig op het juiste moment, en dat hoeft niet altijd een gesofisticeerd onderlijntje te zijn! Via Bob heb ik het geluk om een heel aantal rigs in mijn handen te krij­gen die nog niet bekend zijn bij het grote publiek. Zo gebruikte ik de chod rig al in 2002. Ook de 360° rig lag al lang in de tackle box voor ze uitgebreid in de karpermedia werd besproken.

Tenslotte maak ik – als het toegelaten is – steeds gebruik van een boot met dieptemeter.

Zijn er anderzijds zaken die volgens jou overschat worden op het gebied van karpervissen?

De status die aan karpervissen gekoppeld wordt. Iemand die grote vis­sen vangt is niet noodzakelijk een goede visser. Enige nuancering en relativering is hier zeker op z’n plaats.

Ook wordt het soms te ver gezocht op gebied van rigs. Een goede onder­lijn moet steeds deel uitmaken van je montage, maar als je met een goede voercampagne bezig bent, moet je het zeker niet moeilijker maken dan nodig.

Als je ooit je levensloop als karpervisser in een boek zou gieten, welke 3 momenten zouden een hoofdstuk vertegenwoordigen?

Het eerste hoofdstuk handelt al zeker over het prille begin, die eerste stappen die ik zette in de karperwereld. Al die herinneringen en anek­dotes zouden een lijvig hoofdstuk vertegenwoordigen.

Een andere passage die niet mag ontbreken is de evolutie van de karper­visserij in het algemeen, en in een derde uitgebreid stuk komt mijn visie op waterbeheer en visstandbeheer aan bod.

Wat ik wel zeker weet is dat het boek veel verder zou gaan dan puur het vangen van vissen op zich.

Wat zou de titel zijn van dat boek?

Dat antwoord moet ik je schuldig blijven, ik heb geen idee.

Wat zijn je favoriete visgronden?

Dat zijn grindplassen in al hun vormen. Groot, klein, afgesloten of in ver­binding met een kanaal of rivier. Het speelt niet zo’n grote rol, als ik er maar met boot en dieptemeter mijn ding kan doen. Vele uren spenderen aan het in kaart brengen van het water, elke zone uitpluizen en mogelijke hotspots zoeken. Dat soort voorbereiding is een belangrijk onderdeel van mijn visserij.

Theo gebruikte de Chod al in 2002!

Je hebt twee waters in eigen beheer, waar je een intensief vis­standbeheer voert. Kan je hier iets meer over vertellen?

Het eerste water dat ik in eigen beheer kreeg was een grindplas die bekend staat onder de naam ‘De Cup’. Dit was zo rond eind jaren ’80. We begonnen met het registreren van de karpers om een bestandsoverzicht op te maken, iets wat nu is uitgegroeid tot een hobby binnen de hobby. Momenteel is het zelfs zo dat ik vaak meer met het visstandbeheer op zich bezig ben dan met het vissen zelf. Als je het goed wil doen, kruipt er veel tijd in, maar het is beslist de moeite waard. Je leert ontzettend veel bij door de jaren, je leert wat goed is en wat nefast kan zijn voor een water en zijn visbestand. Je vergaart een berg algemene kennis, die zeker niet beperkt blijft tot alleen karper. Ook andere vissoorten passe­ren de revue wanneer je je bezig houdt met waterbeheer.

In de jaren ’90 zijn er nog twee waters bijgekomen waar ik het visstand­beheer voor mijn rekening neem. De Surfkuil is een tweede water wat ik zelf beheer, en op een andere plas heb ik de vrije hand gekregen wat betreft het beheren van de visstand.

Ik heb wel door de jaren heen mogen ervaren dat er ook negatieve aspec­ten opduiken wanneer je het beheer hebt over een water. Op de Surfkuil viste vroeger – voor ik het beheerde – bijna niemand. Het was voor velen de moeite niet, omdat er massaal brasem aanwezig was. De karpers die er huisden waren mager, wat maakte dat iedereen zonder het water een blik te gunnen voorbij reed. Nu, na jarenlang hard werken en investe­ren, is het een uniek water met een prachtig karper- en roofvisbestand. Het gevolg is dat men werkelijk in de rij staat om een vergunning te bemachtigen. Kritiek op het systeem van een wachtlijst is makkelijk als je al het werk wat aan een water vooraf gaat niet in acht neemt.

Wat zijn volgens jou de basisregels van goed visstandbeheer? Het klinkt misschien vreemd voor een karpervisser, maar je zorgt best eerst en vooral voor een goed roofvisbestand met veel variëteiten. Snoek, baars en snoekbaars horen zeker in het rijtje thuis. Persoonlijk prefereer ik geen meerval. Een goed roofvisbestand geeft het voordeel dat de algehele visstand zichzelf regelt en je dus nooit met een overpo­pulatie te kampen krijgt. Een mooi gevolg is dat je tevens een uniek roof­viswater zal creëren!

Wat betreft het karperbestand is het belangrijk dat dit aangepast is aan de aanwezigheid van natuurlijke voeding en in tweede instantie het aanbod van vissersvoer. Het is wenselijk dat de populatie karpers goed doorgroeit op het aanwezige natuurlijk voedsel, boilies vallen in de cate­gorie extraatjes.

Om op lange termijn een sterk bestand te krijgen, is het belangrijk zoveel mogelijk soorten en rassen te introduceren. Zowel snelle als lang­zame groeiers met potentie komen daarvoor in aanmerking. (Wel pro­beren bij betrouwbare viskwekers te blijven, alhoewel dit een moeilijke zaak blijft.) Verder voer ik bij de vissen die ik zelf groot breng een selec­tie door.

Het risico van deze werkwijze is natuurlijk het uitbreken van een virus,

maar als je het niet op deze manier doet wordt het karperbestand te fragiel. De introductie van een brede waaier aan rassen is niet zonder gevaar, maar uiteindelijk blijven wel de sterkere exemplaren over. Er zijn legio voorbeelden van waters waar na een sterfte de overblijvers op korte tijd enorm groeien (bv. Oasis). Vaak merkt men nadien ook dat er meer karpers over zijn gebleven dan eerst gedacht.

Is er een bepaalde karper die je ooit hebt willen vangen, maar nooit in je net hebt mogen loodsen?

Om eerlijk te zijn kan ik me geen karper voor de geest halen. Een echte targetvisser ben ik niet. Wel heb ik veel bewondering voor de mannen die aan targetvissen doen. Ik zal zeker eens gaan vissen op die plaatsen waar ik kans maak op een bekende grote vis, maar ik zal me er niet op vast pinnen. Momenteel beleef ik meer plezier aan het opvolgen van vissen, zowel op grindplassen als kanalen.

Wat is voor jezelf de grootste verwezenlijking binnen je eigen visserij?

Het zal misschien vreemd klinken, maar de grootste verwezenlijking na al die jaren van intensief vissen, is dat ik nog steeds bij mijn vrouw ben. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dat vooral haar verdienste is, want ze heeft veel opofferingen voor me gedaan. Ze heeft quasi alleen voor onze kinderen gezorgd, want papa was altijd maar aan het water te vinden. Ze staat altijd voor me klaar en heeft me steeds gesteund. Nooit was iets teveel gevraagd, zelfs zonder haar Kerstmis doorbrengen op Rainbow Lake vond ze geen enkel probleem. Als ik het maar goed heb, is zij tevreden…

Als je als karpervisser zo’n vrouw hebt, mag je jezelf gelukkig prijzen! En als er iemand is waar ik oprecht veel bewondering en respect heb, is zij het wel!

Heb je nog doelen of verwachtingen voor jezelf de komende jaren?

Goh, eigenlijk hoop ik vooral dat de lancering van Tiger Baits zal lukken. Het is altijd een hobby binnen de hobby geweest om me intensief bezig te houden met aassamenstellingen, en deze stap betekent voor mij dat ik van een hobby een bijberoep heb kunnen maken.

Het is een uitdaging, maar met de juiste mensen aan boord (zoals o.a. Arjen Uitbeijerse en Ronny de Grootte) zie ik de toekomst positief tegemoet.

In juni zou er op het water dat je beheert een zekere ‘sessie zonder hengels’ hebben plaats gevonden. Kan je daar iets meer over vertellen?

Die bewuste ‘sessie’ kwam er op aanvraag van bepaalde niet nader genoemde individuen. Het was een gezellig samenzijn met een heer­lijke barbecue en enkele pintjes. De reden van deze samenkomst was eigenlijk ludiek. De Surfplas is bij veel karpervissers een gegeerd jachtgebied,

Theo met 22,3 kg schub                                                          Theo met wijlen Rambo op 24 kg+

waardoor er jaarlijks een aanzienlijk aantal aanvragen voor ver­gunningen in de bus vallen. Enkele mannen van de harde kern van de Regio Limburgs opperden het idee om een sessie te vissen op de Surf­plas, maar dan wel zonder hengels!!

Tom Klussendorf, die uit het verre Vlaanderen was afgezakt, wist die avond en nacht niet wat hij zag! Het drankverbruik lag dermate hoog, dat bepaalde foto’s echt niet voor publicatie vatbaar zijn. Het bewijs daarvan was ook duidelijk zichtbaar de dag nadien! (Lacht)

Op de koop toe werd er op je aanwezigheid gerekend op een vrijgezellenfeest afgelopen zomer. Hoe viel die dag in jeugdig gezelschap mee voor een man van middelbare leeftijd?

Wel, eigenlijk heb ik met jonge mensen altijd een goed contact gehad. In de verschillende clubs waar ik vroeger lid was waren ook alle rangen van leeftijden vertegenwoordigd. Tevens kom ik in onze regio veel met jeugdige vissers in contact, en lust ik zelf ook graag een frisse pint.

Die avond heb ik me trouwens goed uit de slag getrokken, als nestor van de bende. Bovendien heb ik hen met raad en daad bijgestaan. Toen onze voorzitter bijvoorbeeld in de vroege uurtjes op de versiertoer ging,
 heb ik hem dat wijselijk afgeraden (hij zou in die toestand zeker en vast een blauwtje opgelopen hebben). Bij het worstelpartijtje met laatstge­noemde heb ik weliswaar gewonnen, maar ik heb mijn duivels niet ont­bonden om hem geen pijn te doen. Robby lag trouwens op dat moment zijn roes al uit te slapen tegen een autoband…

Om een lang verhaal kort te maken: samen met de voorzitter ben ik als laatste overgebleven, nadat ik reeds verschillende mensen naar huis had gedragen. Wie zegt nu nog iets over die ‘middelbare leeftijd’? (lacht)

Theo, laat ons met deze leuke anekdotes afsluiten. Is er nog een goede raad die je de VBK-leden wil meegeven, of heb je misschien een nieuwjaarswens voor hen?

We gaan vaak zo op in onze beleving van de karpervisserij, dat we al de dingen die echt belangrijk zijn wel eens uit het oog durven verliezen. Het leven gaat heel erg snel voorbij, dus als je een vriendin, vrouw of kinderen hebt, besteed er tijd aan! Ik mag stellen dat ik uit eigen erva­ring spreek. Je kinderen zouden later niet mogen zeggen: “Jamaar, papa, je was altijd vissen…” Soms denken we dat vissen op de eerste plaats komt, maar dat zou niet mogen. Verwaarloos degenen die je lief hebt niet, want later krijg je daar ongetwijfeld spijt van.

Ze moeten niet altijd groot zijn, van dit slag en met deze beschubbing vang ik ze ook graag!
Om op lange termijn een sterk bestand te krijgen, is het belangrijk zoveel mogelijk soorten en rassen te introduceren

Mark Hoedemakers